Taxshift : fiscale gevolgen vanaf 1 januari 2019

Op 1 januari 2019 treedt de laatste fase van de taxshift in werking. De taxshift bevat ook een aantal fiscale maatregelen die de koopkracht van de werknemers willen verhogen, zonder dat de kosten voor de werkgevers daardoor verhogen.

We overlopen hieronder de wijzigingen die vanaf 1 januari 2019 van toepassing zullen zijn op fiscaal vlak.

  • Optrekking belastingvrije som
  • Aanpassing belastingtarieven
  • Optrekking fiscale werkbonus
  • Invloed op de berekening van de bedrijfsvoorheffing?

Optrekking belastingvrije som

Elke belastingplichtige kan genieten van een voordeel waardoor een deel van zijn belastbare inkomsten vrijgesteld wordt van belasting, de ‘belastingvrije som’.

Momenteel is het bedrag van de belastingvrije som afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen van de belastingplichtige:

  • standaard belastingvrije som: 4 095 euro;
  • verhoogde belastingvrije som (voor wie een belastbaar inkomen heeft van maximaal 25 220 euro): 4 260 euro.

Vanaf 2019 (aanslagjaar 2020) zal er nog slechts 1 bedrag gelden voor alle belastingplichtigen. De belastingvrije som zal dan 4 785 euro bedragen. Dit is het bedrag voor indexatie. Hoeveel de indexatiecoëfficiënt in 2019 zal bedragen, is nog niet bekend.

Deze belastingvrije som geldt voor al wie belastbare inkomsten ontvangt, dus zowel voor bedrijfsleiders als werknemers.

Aanpassing belastingtarieven

De belastbare inkomsten worden in de personenbelasting belast op basis van steeds stijgende belastingtarieven (met uitzondering van enkele inkomsten die aan een afzonderlijk tarief belast worden). Deze tarieven zijn gekoppeld aan schijven van belastbaar inkomen. Hoe hoger het belastbaar inkomen, hoe hoger het belastingtarief waaraan het hoogste deel van het belastbaar inkomen belast zal worden.

De tarieven zelf wijzigen niet in het inkomstenjaar 2019. Wel wordt de bovengrens van de tariefschijf van 40% opgetrokken van (nog te indexeren) 13 940 euro naar 14 330 euro. Dit betekent dat het belastbaar inkomen langer aan het tarief van 40% belast zal worden (in plaats van al onder de tariefschijf van 45% te vallen). Dit zorgt ervoor dat dat er minder belasting verschuldigd zal zijn. Voor de overige tariefschijven wijzigt er niets.

Tarieven voor de berekening van de basisbelasting: vergelijking

Aanslagjaar 2019 Aanslagjaar 2020
25% voor de inkomensschijf van 0,01 tot 8 120 euro voor de inkomensschijf van 0,01 tot 8 120 euro
40% voor de schijf van 8 120 tot
13 940 euro
voor de schijf van 8 120 tot
14 330 euro
45% voor de schijf van 13 940 tot
24 800 euro
voor de schijf van 14 330 tot
24 800 euro
50% voor de schijf boven
24 800 euro
voor de schijf boven
24 800 euro

Deze aanpassing geldt voor alle belastingplichtigen, dus zowel voor bedrijfsleiders als werknemers.

Optrekking fiscale werkbonus

De fiscale werkbonus is de fiscale tegenhanger van de werkbonus die we kennen uit het sociale zekerheidsrecht. De sociale werkbonus is een vermindering van de RSZ-werknemersbijdragen (13,07%) voor werknemers met een (relatief) laag loon.

Aangezien de lagere inhouding van RSZ-bijdragen leidt tot een verhoogd belastbaar loon, zorgt de korting op RSZ-vlak er in principe voor dat de verschuldigde belasting stijgt. Zoals hoger al vermeld zijn hogere belastingtarieven van toepassing naarmate het belastbaar inkomen bepaalde grensbedragen overschrijdt. Om dit effect wat te compenseren wordt een belastingvermindering toegekend.

De fiscale werkbonus wordt berekend als een percentage op de effectief genoten sociale werkbonus. Dit percentage bedraagt vanaf 1 januari 2019 33,14% (in plaats van de huidige 28,03%). Het maximumbedrag van de belastingvermindering wordt ook opgetrokken van 420 euro naar 500 euro per jaar (niet-geïndexeerde bedragen).

Invloed op de berekening van de bedrijfsvoorheffing?

Tijdens het jaar waarin het beroepsinkomen wordt verkregen, wordt geanticipeerd op de belasting die erop verschuldigd zal zijn door de inhouding van bedrijfsvoorheffing (BV). De regels van de BV zijn dan ook in belangrijke mate afgestemd op die van de personenbelasting.

De wijzigingen aan de belastingvrije som en de belastingtarieven zullen dan ook doorwerken bij de berekening van de BV vanaf 1 januari 2019. De schalen zullen een lager bedrag aan BV geven, in vergelijking met eenzelfde belastbaar inkomen verdiend in 2018.

De belastingvermindering die een werknemer krijgt omwille van zijn laag loon (fiscale werkbonus) wordt ook al toegepast bij de berekening van de BV die de werknemer in principe verschuldigd is. Ook deze maatregel zal er dus voor zorgen dat de werknemer vanaf 2019 een hoger nettoloon heeft.

 

Bronnen:
Programmawet 10 augustus 2015, BS 18 augustus 2015.
Acerta.be
Wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015.

 

Ter info : garageplaten en handelsplaten

Ter info : garageplaten en handelsplaten

Beschikt je klant over een commerciële plaat (zowel handelaars- als proefrittenplaat), dan moet hij of zij elk jaar tussen 1 oktober en 31 december de verlenging (laten) aanvragen bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) van de FOD Mobiliteit.

Voor 1 januari 2018 moest de ondernemer zowel met de juiste nacebelcodes (activiteitencodes) als de juiste functies voor het bedrijfsbeheer en de gereglementeerde activiteiten in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) opgenomen staan.

Het gaat bijvoorbeeld om de volgende codes voor een handelaarsplaat AUTO:

  • detailhandel (of kleinhandel) in auto’s en lichte vrachtwagens: code 45113 of 45511301
  • detailhandel (of kleinhandel) in vrachtwagens, trekkers, bestelwagens: code 45193, 4519301 of 4519302

Daarnaast moest er ook nog een bewijs van bedrijfsbeheer en van de nodige beroepskennis ingeschreven staan in de KBO.

Wat is er dan op 1 januari 2018 gewijzigd?

Vanaf 1 januari 2018 moest de ondernemer de gereglementeerde activiteiten van motorvoertuigen sectoraal en intersectoraal (m.a.w. de activiteit als garagist, carrossier of kleinhandelaar in tweedehandsvoertuigen) niet langer bewijzen in het Vlaamse Gewest. Bovendien is sinds 1 september 2018 ook de vraag naar het getuigschrift basiskennis bedrijfsbeheer in het Vlaamse Gewest weggevallen.

De DIV heeft begin dit jaar dan ook beslist dat voor de aanvraag van een commerciële plaat geen ondernemersvaardigheden meer moeten worden aangetoond, ongeacht of de ondernemer actief is in het Vlaamse Gewest, Brussels Hoofdstedelijk Gewest of Waalse Gewest.

Wat betekent dit dan voor je klant ?

Bijgevolg is het dan ook van uiterst belang dat je klant met de juiste nacebelcodes opgenomen staat in de KBO. De DIV kijkt niet enkel naar de codes die ingeschreven staan op het niveau van de vestigingseenheid, maar ook op het niveau van de btw. Komen de activiteiten niet overeen of ontbreekt de code op het niveau van de vestigingseenheid of op het niveau van de btw, dan zal de verlenging van de commerciële plaat niet toegekend worden.

Om dit te vermijden kan je voor je klant volgende acties ondernemen :

Ga via Company Check na of de activiteiten van je klant correct staan opgenomen, zowel op het niveau van de vestigingseenheid als op het niveau van de btw-activiteiten. Nadat je het ondernemingsnummer hebt ingevoerd en op ‘Zoek’ hebt geklikt, worden de ondernemingsgegevens zichtbaar. BTW activiteiten kijk je na via het luik ‘activiteiten’ en activiteiten kijk je na onder ‘vestigingseenheid’. Van daaruit kun je een aanvraag tot wijziging indienen.

 

Bron : Liantis

WETSONTWERP : vrijstelling van betaling van de sociale bijdragen als zelfstandige aangepast

Dit wetsontwerp strekt ertoe de procedure voor het bekomen van een vrijstelling van de betaling van de sociale bijdragen als zelfstandige te verbeteren door enerzijds in de wet de criteria op te nemen op basis waarvan een vrijstelling kan bekomen worden en anderzijds de zelfstandige de mogelijkheid te bieden een beroep ten gronde in te stellen tegen de beslissing. De bevoegdheid tot het behandelen van de aanvragen tot vrijstelling van de FOD Sociale Zekerheid wordt overgeheveld naar het RSVZ. Bij het RSVZ wordt bovendien een Beroepscommissie opgericht voor de behandeling van de betwistingen ten gronde.

Artikel 17 §1 van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967, laatst gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, wordt vervangen als volgt:

Art. 17. § 1. De zelfstandigen die menen zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te be- vinden, waardoor zij niet in staat zijn om hun bijdragen te betalen, kunnen vrijstelling vragen van de betaling van deze bijdragen door zich te wenden tot het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der zelfstandigen, hierna Rijksinstituut genaamd.

De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten bewijzen dat zij zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevinden waardoor zij bij de opvordering van de verschuldigde bijdragen door het sociaal verzekeringsfonds niet in staat zijn om deze te betalen.

Het Rijksinstituut beoordeelt de situatie van de zelfstandige aan de hand van de elementen ingeroepen bij het indienen van zijn aanvraag.

Het artikel bepaalt dat de zelfstandige die zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt een aanvraag tot vrijstelling kan indienen. Het lid voorziet dat de aanvragen voortaan behandeld worden door het Rijksinstituut.

Het vage criterium “een staat van behoefte of een toestand die de staat van behoefte benadert” wordt vervangen door een uniek criterium “zich in een moeilijke financiële of economische situatie bevinden”.

Het nieuwe criterium vertoont meerdere voordelen:

  • Het wenst te benadrukken dat het terechtkomen of het zich bevinden in een moeilijke financiële of economische situatie een oorzaak of verklaring moet hebben. Het onvermogen om tot bijdragebetaling over te gaan moet van tijdelijke aard zijn. Iemand die een zelfstandige activiteit opstart moet zich goed voorbereiden op zijn ondernemerschap en zich bewust zijn van alle plichten die hieraan verbonden zijn. Daartoe behoort de verplichting tot het betalen van sociale bijdragen. Het is niet de bedoeling dat zelfstandigen jaar na jaar een vrijstelling van bijdragen vragen omdat hun activiteit niet (meer) economisch rendabel is;
  • De hoegrootheid van de beroepsinkomsten of de omzet is niet alleen van determinerend belang;
  • Het wenst vooral de zelfstandigen die ad hoc geconfronteerd worden met onverwachte moeilijkheden ingevolge noodzakelijke beroepsuitgaven of -investeringen, klanten die hun betalingsverplichting niet nakomen tegemoet te komen…;
Verder preciseert het nieuwe artikel dat de bewijslast zoals voorheen rust op de zelfstandige die de nodige elementen dient aan te brengen bij het indienen van zijn aanvraag en is conform de artikelen 1315 e.v. van het Burgerlijk wetboek.

De zelfstandige dient aan te tonen dat hij zich in een moeilijke financiële of economische situatie bevindt ingevolge omstandigheden van tijdelijke aard waardoor hij bij de ontvangst van het betalingsverzoek door het sociaal verzekeringsfonds niet in staat is om de verschuldigde bijdragen te betalen.

Het aanleggen van een onroerend patrimonium kan niet gebeuren ten koste van de betaling van de sociale bijdragen.

Daarbij dient benadrukt te worden dat de zelfstandigen die vrijgesteld worden van de betaling op een later tijdstip (binnen de geldende verjaringstermijnen) op vrijwillige basis, bijvoorbeeld wanneer hun economisch of financiële situatie zich herstelt, de vrijgestelde bijdra- gen kunnen betalen.

Het artikel benadrukt dat het Rijksinstituut de situatie van de aanvrager onderzoekt aan de hand van de bij de aanvraag aangebrachte elementen. Er wordt geen rekening gehouden met elementen die na de aanvraag worden ingeroepen. Nieuwe elementen kunnen desgevallend een nieuwe aanvraag rechtvaardigen voor kwartalen die niet begrepen zijn in de eerste aanvraag.

Met deze precisering wil het ontwerp de relatieve rechtsonzekerheid betreffende het geheel aan elementen waarmede bij het onderzoek moet worden rekening gehouden wegwerken.

bron : lexalert

BDO België zoekt bedrijfsrevisoren tot in Afrika


Door de strengere regels die de financiële waakhond FSMA en Europa aan bedrijven opleggen, stijgt de vraag naar bedrijfsaudits bij BDO België. De afdeling groeit in 2018 met ruim 10%. Om aan de stijgende vraag te voldoen, werft BDO België tegen 1 oktober 45 extra mensen aan. Geen sinecure op de Belgische arbeidsmarkt. Het bedrijf rekruteert revisoren tot in Zuid-Afrika.

De krapte op de arbeidsmarkt verplicht BDO België om creatief te zijn. Het advieskantoor verruimt zijn horizon tot in Zuid-Afrika om bedrijfsrevisoren te rekruteren. “Voor 1 oktober 2018 werven we 45 extra revisoren aan,” zo schrijft Hans Wilmots: “Maar de strengere regels in auditing maken de zoektocht naar die extra collega’s er niet makkelijker op. Velen haken af omwille van de wildgroei aan extra regels. Vooral de meer ervaren profielen zijn moeilijk te vinden op de Belgische markt.”

Regelgeving

De steeds strengere “compliance”-regels verplichten auditkantoren om extra procedures en monitoringsystemen in te voeren om aan te tonen hoe ze die nieuwe procedures intern opvolgen. Per mandaat investeert BDO België daardoor 5 à 10% extra ten opzichte van vroeger.

Rotatiewet

BDO België verwacht ook nog extra in auditing door de zogenaamde rotatiewet. De rotatiewetgeving verplicht grote bedrijven om de 9 jaar van revisor te veranderen. Dat zet de deur open voor middelgrote spelers als BDO, omdat grotere revisoren zich geen kandidaat meer stellen.

“Een beperkt aantal beursgenoteerde bedrijven heeft in het kader van good governance de verplichte rotatie al toegepast. Maar de meeste Bel20’ers hebben maximaal gebruik gemaakt van de extra overgangsmaatregelen waardoor de rotatie zich pas in 2021 en 2024 zal laten voelen,” zo stelt Veerle Catry, Managing Partner Financial Audit BDO België.

Belgisch UBO-register van start vandaag, 31/10/18

Belgisch UBO-register van start vandaag, 31/10/18

Met de oprichting van het centraal register van uiteindelijke begunstigden (in het Engels “Ultimate Beneficial Owner” (UBO)), zet België een volgende stap in de strijd tegen het witwassen van geld. Het nieuwe register zorgt immers voor meer transparantie rond de natuurlijke personen die werkelijk achter een organisatie schuil gaan. Vandaag, 31 oktober 2018, treedt de regeling in werking. Hoog tijd dus om uit te leggen waarover het precies gaat en welke rol jij hierbij als partner kan spelen.

Wie moet zijn uiteindelijke begunstigden registreren?

Het UBO-register heeft tot doel alle informatie te verzamelen over de uiteindelijke begunstigden (UBO’s) van enerzijds alle in België opgerichte vennootschappen, (internationale) vzw’s en stichtingen, en anderzijds alle trusts, fiducieën en andere gelijkaardige organisaties die vanuit België worden beheerd (hierna: informatieplichtigen).

De omvang van de organisatie of het al dan niet hebben van rechtspersoonlijkheid doet voor de wet niet ter zake. Ook kleine vennootschappen, vzw’s, maatschappen, enz. vallen dus onder haar toepassingsgebied.

Tegen wanneer moeten de gegevens voor het eerst worden meegedeeld?

Ten laatste op 31 maart 2019.

Wie zijn de uiteindelijke begunstigden?

Voor wat betreft de vennootschappen, maakt de wet een onderscheid tussen drie categorieën van natuurlijke personen:

  1. al wie rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet gegroepeerd, houder is van minstens 25 % van de aandelen en/of stemrechten;
  2. al wie op een andere manier (b.v. via een aandeelhoudersovereenkomst) zeggenschap heeft over de vennootschap;
  3. de leden van het hoger leidinggevend personeel.

Enkel wanneer categorie (1) en (2) niemand oplevert, moeten de personen uit de derde categorie als UBO worden geregistreerd. De UBO’s die uit categorie (1) en (2) voortkomen, moeten daarentegen allemaal geregistreerd worden.

Voor alle andere informatieplichtigen, zoals b.v. vzw’s en stichtingen, verwijzen we naar de opsomming in de wet. Het gaat onder andere over alle bestuurders van vzw’s, stichters van stichtingen, enz. Merk op dat de UBO’s uit alle opgesomde categorieën hier geregistreerd moeten worden, wat betekent dat de lijst van UBO’s aanzienlijk kan zijn.

Welke informatie over de UBO’s moet worden meegedeeld?

Per type organisatie somt de wet alle gegevens op van de UBO’s die zij aan het register moeten overmaken. Naast hun algemene identiteitsgegevens moet, in het geval van vennootschappen, bijvoorbeeld ook het percentage van hun uiteindelijk belang worden meegedeeld. De effectieve waarde ervan blijft daarentegen privé. Ook de gegevens van eventuele tussenvennootschappen moeten worden geregistreerd, zodat de volledige eigendomsstructuur van de vennootschap duidelijk wordt.

Op wie rust de verplichting om de informatie mee te delen?

Het zijn de bestuurders / zaakvoerders of de trustees of fiduciebeheerders van de informatieplichtigen die de gegevens en de nodige bewijsstukken moeten aanleveren. Wijzigt er iets aan die gegevens, dan moeten ze dat bovendien binnen de maand aan het UBO-register meedelen, en dit bovenop de verplichting om de gegevens ten minste jaarlijks bij te werken.

Opgelet: Als boekhouder, boekhouder-fiscalist, accountant, belastingconsulent, of stagiair, ben je verplicht om elk verschil dat je zou vaststellen tussen de informatie die in het register is opgenomen en deze waarvan je kennis hebt, mee te delen aan de Administratie van de Thesaurie. De klant zal echter niet weten dat je zo’n melding hebt gedaan.

Sanctie

Bestuurders die (1) de vereiste informatie niet inwinnen of bijhouden, (2) ze niet (tijdig) aan het UBO-register meedelen, of (3) onvolledige of onjuiste informatie meedelen, riskeren een administratieve geldboete van tussen de 250 en 50.000 euro. Vreemd is wel dat het Koninklijk Besluit van 30 juli 2018 laat uitschijnen dat die sanctie niet zou gelden voor nalatige trusts, fiducieën en gelijkaardige organisaties.

Voor bestuurders van vennootschappen, (i)vzw’s en stichtingen kunnen de eerste twee vermelde inbreuken overigens in een bijkomende boete van 50 tot 5.000 euro resulteren.

Wie heeft toegang tot het register?

Zowel de bevoegde autoriteiten (zoals politie, parket en de fiscus) als zij die gegevens moeten doorgeven in het kader van hun cliëntenonderzoek (b.v. jij als accountant), hebben in principe toegang tot alle gegevens van de UBO’s van alle informatieplichtigen. Wat betreft vennootschappen kan bovendien elke burger het register raadplegen, met die nuance dat zijn toegang beperkt is tot slechts een aantal gegevens om de privacy van de UBO te beschermen. Hetzelfde geldt voor (i)vzw’s, stichtingen, trusts enz., zij het dat hier bijkomend een legitiem belang vereist is, of, afhankelijk van het geval, een schriftelijke aanvraag.

De toegang tot het register is overigens enkel voor de bevoegde autoriteiten gratis. Alle andere personen of organisaties die de informatie willen inkijken, moeten daarvoor een administratieve kost betalen.

Zijn er tot slot ook uitzonderingen?

Heeft een UBO reden om te denken dat hij gevaar loopt doordat zijn gegevens toegankelijk zijn? Dan kan hij vragen om de zichtbaarheid van die gegevens te beperken. Ook voor minderjarige of handelingsonbekwame UBO’s is dat mogelijk.

En nu even praktisch:

  • Teken samen met je klant de eigendomsstructuur uit van de organisatie en bepaal welke natuurlijke personen als UBO dienen geïdentificeerd te worden.
  • Vervolgens moet je klant zijn UBO’s per brief informeren over hun rechten en plichten in dit verband (zie art. 21 van het KB) en moet hij alle nauwkeurige en uitvoerige informatie over zijn UBO’s en eventuele tussenorganisaties verzamelen.
  • Raad je klant aan de nodige bewijsstukken te verzamelen waaruit blijkt dat de informatie waarover hij beschikt toereikend, accuraat en actueel is. De FAQ van de FOD Financiën spreekt in dit verband onder andere over een kopie van de identiteitskaart/paspoort, de statuten van de vennootschap, het register van de aandeelhouders, enz.
  • Voor zover gewenst, kan je klant jou via het Self Service Mandatensysteem een externe volmacht geven (kies als mandaattype ‘MyMinFin’) zodat ook jij met je e-ID via het MyMinFinPro-portaal de registratie voor je klant in orde kan brengen.
  • Raad je klant ten slotte ook zeker aan om goede interne procedures te ontwikkelen die ervoor zorgen dat elke wijziging tijdig wordt meegedeeld. Een lange lijst van begunstigden brengt immers een niet te onderschatten ‘nazorg’ met zich mee.

Heb je nog meer vragen over het UBO-register? Op de website van de FOD Financiën vind je naast alle belangrijke informatie ook een uitgebreide FAQ en een handleiding.

Bron : Liantis

Rechtbank van koophandel heet voortaan ondernemingsrechtbank

Op 1 november treedt een modernisering van het ondernemingsrecht in werking. Een nieuwe definitie van het begrip “onderneming” moet leiden tot meer rechtszekerheid. Een nieuwe definitie van het begrip “onderneming” moet leiden tot meer rechtszekerheid. De gemoderniseerde wet wijzigt ook de naam van de rechtbank van koophandel, die voortaan ondernemingsrechtbank zal heten.

De hervorming van minister van Justitie Koen Geen (CD&V) ontmantelt het wetboek van koophandel, met verouderde basisbegrippen als ‘handelaar’ en ‘koopman’, uitgewerkt voor de maatschappij ten tijde van Napoleon, waarin kleinhandel de voornaamste commerciële activiteit was. De nieuwe definitie moet meer aansluiten bij de realiteit van vandaag. Na 211 jaar houdt het wetboek van koophandel op te bestaan: het gaat op in het wetboek van economisch recht.

De nieuwe rechtbank zal ook bevoegd worden voor landbouwers, vrije beroepers en vzw’s. Zij worden ook als ondernemingen beschouwd en zullen een ondernemingsnummer moeten hebben. Volgens Geens gaat het om een vereenvoudiging.

Fiscotax.